De SER adviseert de regering over het te voeren sociaal-economisch beleid. Minister Koolmees stelde een vraag aan de SER en deze is met een advies gekomen over de verkiezingen van ondernemingsraden. Kern: de SER is van mening dat de huidige drempel om te mogen stemmen voor de OR of je verkiesbaar te mogen stellen te hoog is, met name voor flex-werkers. Dit advies volgt ons inziens grotendeels de praktijk en verandert deze niet. Er is meer nodig om ervoor te zorgen dat (flex-) medewerkers eerder en vaker betrokken worden!

 

 

Waarom heeft de SER dit advies uitgebracht?

De aanleiding voor dit advies  is de verouderde bepaling in de WOR over de termijn waarbinnen medewerkers zich verkiesbaar kunnen stellen voor de ondernemingsraad en wanneer zij een stem mogen uitbrengen. Deze stamt uit 1971 en past niet meer bij de huidige tijd.  Het vaste contract is daarin niet langer de vanzelfsprekende norm. Voor het passieve kiesrecht, het verkiesbaar stellen, geldt nu een termijn van 12 maanden na in dienst treden. Voor het actieve kiesrecht geldt een termijn van 6 maanden. Uiteraard biedt de WOR een achterdeurtje, in het reglement mag de ondernemingsraad deze termijn aanpassen.

 

                 Open deur

 

De achterdeur is een open deur

Wat zien wij? De achterdeur die de WOR biedt is allang een open deur. De minister vindt blijkbaar zelf dat die termijnen verouderd zijn en legt een vraag voor aan de SER. Nu kan de SER gevraagd en ongevraagd advies geven. Blijkbaar vindt de minister het belangrijk dat er draagvlak is voor zijn duidelijke suggestieve vraagstelling. Een SER-advies is daarvoor bedoeld. Niet om echt advies te vragen, maar om draagvlak te hebben voordat hij een duidelijk beleidsvoornemen omzet in wetgeving. 

 

Wetgeving volgt op gegroeide praktijk of opvattingen

Wetgeving volgt vrijwel altijd op een zich ontwikkelende praktijk en daarmee soms impliciete of expliciete opvattingen over wat maatschappelijk gewenst of ongewenst is. In het SER-advies wordt geen eigen visie op die praktijk geformuleerd. Het beperkt zich vooral tot de drempels om te mogen kiezen en verkozen worden. Er wordt geconstateerd dat de huidige termijnen niet voldoende faciliteren dat medewerkers zich sneller aansluiten bij medezeggenschap. Dat klopt en daarom hebben al veel ondernemingsraden die termijnen aangepast. Wellicht is het juist dat in sommige bedrijven de reglementen nog niet zijn aangepast en de drempel dus nog bestaat. In die gevallen lijkt het ons inderdaad prettig als de wetgeving de praktijk een duwtje geeft. Met name daar waar flex-arbeid meer regel is dan uitzondering. Vooral flex-werkers hebben nauwelijks de gelegenheid hun betrokkenheid in een vorm van medezeggenschap te tonen. Dat is de grootste winst van dit SER-advies.

 

Is dit de enige weg of zijn er ook andere?

Wetgeving leidt bijna altijd tot generieke regels die vervolgens weer onvoldoende aansluiten bij de praktijk. Wij denken dat het verkiesbaar zijn voor, of mogen stemmen voor de ondernemingsraad een beperkte kijk oplevert voor het organiseren van betrokkenheid van met name flex-medewerkers. Recent begeleidden we een discussie binnen de ondernemingsraad van een onderwijsorganisatie waarin tot 30% flex-medewerkers werkten. Daarnaast wordt er nog circa 10% personeel ingehuurd via bijvoorbeeld catering-, beveiliging- en schoonmaakbedrijven. Dat zijn dus mensen die hun arbeidscontract bij bijvoorbeeld het cateringbedrijf hebben maar dagelijks en dat vaak al jarenlang doen bij diezelfde onderwijsorganisatie en vaak ook nog op dezelfde locatie. Daar hebben ze vaak een sterkere binding mee (met de mensen en de organisatie) dan waar ze hun contract hebben. Hoe kunnen zij die betrokkenheid tonen? Hoe worden zij ook gehoord? Binnen voornoemde ondernemingsraad werd gesproken over verschillende vormen van betrokkenheid:

 

  • Stemrecht en verkiesbaarheid van flex-werkers als zij langer dan 6 maanden in dienst zouden zijn (dus inderdaad inkorten termijnen)

 

  • Klankbordgroep per vestiging voor de ingehuurde dienstverleners, zodat zij in elk geval op een georganiseerde manier hun betrokkenheid kunnen tonen.

 

er zijn meer wegen en keuzen

 

Kwaliteit van medezeggenschap gaat voor regels

Regels zijn nodig, maar alleen die regels die een doel dienen. Een mooi voorbeeld vonden wij een onderdeelcommissie (OC) bij een publieke organisatie die draait op 50 tot 60% externe inhuur. Specialistische, hoogopgeleide mensen, die ook meerdere jaren verbonden zijn aan projecten. De directeur van deze organisatie koos ervoor, tegen alle bestaande regels van de medezeggenschap in, om de externen een plek te geven in de OC, als een soort ‘kwaliteitszetels’. Ze konden volop meedoen in de gesprekken, alleen hadden zij geen formeel stemrecht als het ging om personele regelingen of adviesrecht over de koers van de organisatie. Dit vooral om vermenging van belangen te vermijden. De directeur en de vaste medewerkers in de OC zijn zeer te spreken over de bijdragen van deze externen. 

 

Voer de echte discussie en ga experimenteren!

Dit zijn slechts een paar voorbeelden van de talloze varianten uit de zich ontwikkelende praktijk. We zijn blij met de mogelijkheid van de OR om via een convenant en het reglement eigen varianten te laten ontstaan, maar er is meer dan de OR alleen.

Wij pleiten voor zowel een meer principiële discussie over de betrokkenheid van medewerkers bij de organisatie(s) waarbij zij werken. Dus een bredere discussie waarin ook de rol van formele medezeggenschap aan de orde komt, maar zeker niet het vertrekpunt moet zijn. Immers, dan blijf je redeneren vanuit het bestaande, en dat verengt de discussie te snel. 

 Daarnaast pleiten we voor meer experimenteren. Dankzij experimenten ontdekken we wat kan, wat lastig is, hoe je daarmee kunt omgaan. Sociale innovatie door gewoon het anders te proberen, te gaan doen. Lef, durf, en een flinke dosis pragmatisme zorgen ervoor dat experimenten ook een grote slagingskans hebben.

 

Resultaat door verbinding

Bij MEDE begeleiden we organisaties die het durven om de discussie te voeren en ook durven een experiment aan te gaan. Een experiment dat klein kan zijn, maar daardoor succesvol. We noemen dat ook wel de “grootst mogelijke kleine stap”. En die stap zet je met een richting, een beeld van de toekomst, zonder dat je die in detail al hebt uitgewerkt of uitgetekend. We doen dat door uit te gaan van verbinding. Verbinding tussen ervaringen, visies en ideeën die leiden tot een echt, tastbaar en werkend resultaat. Daarom ons motto: Resultaat door Verbinding!

 

Marcel Daems en Eva Bernaerts, MEDE